drs. Harm Jan van Rees
In 2027 wordt herdacht dat de Hollandse graaf Floris V samen met een groot aantal edelen 750 jaar geleden op 31 maart 1277 door middel van een oorkonde de oprichting van het hoogheemraadschap van de Alblasserwaard bezegelt. Het gebied heette toen nog Land tussen Lek en Merwede, de twee rivieren die het gebied grotendeels omsluiten. De naam Alblasserwaard komt voor het eerst voor in 1383. De noodzaak om gezamenlijk de waterstaatkundige problemen aan te pakken, kwam voort uit afwateringsproblemen als gevolg van inklinking, de zorg voor de buitendijken en overstromingsgevaar vanuit het oosten. In het handvest van 1277 zijn dan ook, naast de bestuurlijke inrichting, afspraken vastgelegd over het interlokale, en daarmee overkoepelende, beheer en onderhoud van een nieuwe zijdewindedijk, de Zouwedijk, en de toen al bestaande rivierdijken van de afzonderlijke dorpen.
In de vroege middeleeuwen kwam in de Alblasserwaard alleen bewoning voor op de oeverwallen van rivieren en de mondingsgebieden van veenstroompjes. Oudste vermeldingen betreffen dan ook de aanwezigheid van parochiekerken in Hardinxveld en Papendrecht in 1105. Archeologische vondsten wijzen op bewoning in deze tijd in Oud-Alblas, Alblasserdam en Giessendam. Voor de rest bestond het gebied uit moeras en veenwildernis. Door bevolkingsgroei steeg de behoefte aan landbouwproducten en van de 11e tot 13e eeuw werd het uitgestrekte Utrechts-Hollands veen- en klei-op-veengebied stelselmatig ontgonnen, dat wil zeggen in cultuur gebracht voor agrarisch gebruik. Wijngaarden is in 1181 de eerst vermelde binnenlandse nederzetting en na twee eeuwen noeste arbeid is de Alblasserwaard rond 1270 geheel ontgonnen. Deze grootste infrastructurele prestatie in Nederland ooit stond onder regie van de graven van Holland en de bisschoppen van Utrecht die krachtens het wildernisregaal het recht op de wildernis bezaten en als landsheren het regulerend overheidsgezag in de veengebieden uitoefenden.
Met behulp van spaden, draagbaren en kruiwagens werden vanuit rivieren en veenstroompjes loodrecht drainagesloten aangelegd. Een gelimiteerde achtergrens bepaalde de uiteindelijke verkavelingslengte. De gegraven sloten hadden een tweeledige functie. Zij fungeerden niet alleen als afwateringskanaaltjes maar markeerden tevens de perceelscheidingen. Collectieve maatregelen als de aanleg van voor-, achter- en zijkaden met uitwateringssluizen op het laagste punt complementeerden uiteindelijk de cultiveringsactiviteiten. Tezamen vormden ze een defensief stelsel tegen de wateroverlast en boden – althans voorlopig – de mogelijkheid tot een beheersbaar waterpeil. Aan de rivieroevers vormden de aldaar opgeworpen dijkjes ten slotte een aaneensluitende waterkerende dijkring. De oorkonde van Floris V was dus niet de aanleiding voor de aanleg van een dijkring maar een bevestiging van het bestaan.
De afzonderlijke ontginningseenheden werden nader onderverdeeld in zogenaamde hoeven die met een maatvoering van 28 à 30 roeden (circa 114 m) voor de breedte en een lengte van zes voorlingen (circa 1250 m) resulteerde in een bedrijfsomvang die doorgaans 16 morgen (dat is circa 14 ha) groot was. Op de koppen van de kavels verrezen de boerderijen. De zo verworven gronden bleken aanvankelijk zeer geschikt voor de verbouw van zware broodgranen als tarwe en rogge. De voortdurende bodemdaling zorgde echter voor te natte grond en na circa 1350 schakelden de boeren massaal over op veeteelt en zuivelbereiding. Op de akkers dicht bij het bedrijfsgebouw werden nog kleinschalig gerst en haver geteeld maar allengs overgestapt op de lucratieve verbouw van handelsgewassen als vlas en vooral hennep.
Tijdens de openlegging van de jongste ontginningsgebieden trok de graaf van Holland, ten koste van de bisschop van Utrecht, steeds meer het rechterlijke gezag naar zich toe. Voor het in cultuur brengen van de veenwildernisgebieden benutte de graaf diverse contractvormen. Meestal gaf hij de onontgonnen venen uit aan groepen kolonisten, al dan niet via tussenpersonen. Een andere optie was om land in leen uit te geven aan hoge edelen uit zijn directe omgeving. Ook die lieten de daadwerkelijke ontginningen over aan derden, de locators, en verkochten de grond door tegen een kleine erfpacht of cijns aan de feitelijke ontginners die zich als vrije boeren in het gebied konden vestigen. Die locators waren kapitaalkrachtige personen die deel uitmaakten van de bovenlaag van de toenmalige samenleving zoals adellijke families en riddermatige geslachten. Naast de cijns hielden deze ondernemende edelen binnen het leenverband met de graaf ook de lucratieve tienden en de heerlijke rechten aan zichzelf. Onder het ambacht (van ‘ambt’) of heerlijkheid vielen naast de tienden de dagelijkse rechtspraak en andere rechten als accijnzen, visserij, molen-, veer- en tolrecht, de zwaandrift, uiteraard verschillend per ambacht. Hoge heerlijkheden, die in de Alblasserwaard veel voorkwamen, bezaten tevens het recht om de zwaarste lijfstraffen op te leggen en uit te voeren. Tienden en het patronaatsrecht (het recht om de pastoor te benoemen) werden aanvankelijk separaat in leen uitgegeven maar later dikwijls verenigd met de heerlijke rechten.
In het kielzog van de ontginningen kregen de kerkelijke en rechterlijke organisatie en noodzakelijkerwijs ook de waterhuishouding in de vorm van waterbeheersing en afwatering gestalte. Die was tot de oprichting van het hoogheemraadschap van de Alblasserwaard in 1277 vooral lokaal van aard en vertoonde de typische kenmerken van een polder. De dijkdorpen waterden af op de rivieren via sluizen op het laagste punt in de eigen voordijk. In het begin en in het midden van de 13e eeuw worden al sluizen genoemd voor Giessen-Oudebenedenkerk en Sliedrecht voor afwatering op de Merwede en voor Langerak op de Lek. Kunstwerken als achter- en zijkaden (de zogenaamde zijdewinden) fungeerden als sluitende waterkeringen, zo in Over-Slingeland (1263), Nieuw- Lekkerland (1274) en Alblas en Streefkerk (1280).
Voor een groot deel van het middengebied van de Alblasserwaard, waar de laatste ontginningen plaatsvonden, kwam de aanvankelijke situatie qua waterkerende maatregelen vermoedelijk overeen met die in de dijkambachten. De manier van afwateren verliep anders. In de bovenloop van de diverse veenstroompjes en de stroomopwaartse gegraven verlenging van de Alblas, de Graafstroom, lagen dammen met sluizen, zoals De Hornedam bij Noordeloos in de Giessen (genoemd in 1277), de Vuilendam in de Graafstroom (uit de ontginningsperiode van Laagblokland vóór 1264) en de Har- of Harendam in de Alblas tussen Oud-Alblas en Bleskensgraaf. Met behulp van deze kunstmatige constructies kon de waterstand van de inlandse ambachten worden geregeld.
De oorkonde van 31 maart 1277, die in het Latijn is opgesteld, kennen we alleen via afschriften. De originele akte is verloren gegaan. Het origineel bestond nog aan het einde van de 14e eeuw toen ook een eerste vertaling in het Middelnederlands werd gemaakt. De oudste kopieën dateren uit het midden van de 15e eeuw. Het handvest is opvallend harmonieus van aard en duidelijk gericht op consensus tussen alle betrokkenen. De tekst maakt gewag van het feit dat de overeenkomst tot stand is gekomen in overleg en met instemming van de vijftien betrokken edelen. Volgens Alblasserwaardkenner P.A. Henderikx stonden zelfs de zegels van graaf en heren op één lijn als vroege uiting van het Nederlandse poldermodel. Ingegeven door de economische belangen van hun eigen, net ontgonnen, ambachten waren ongetwijfeld de betrokken edellieden de aanjagers achter de oprichting van het
hoogheemraadschap. Bijzonder is het feit dat de overeenkomst de landsgrens van het graafschap Holland oversteeg. Die liep globaal van noord naar zuid midden door de Alblasserwaard. In bestuurlijk en juridisch opzicht was de waard een ware lappendeken van lage en autonome hoge heerlijkheden, die voor een deel dus onder het graafschap ressorteerden Ten oosten van de grens participeerden vier zelfstandige hoge heerlijkheden in de samenwerkingsovereenkomst. In waterstaatkundig verband vormde door de oprichting in 1277 en de uitbreiding van 1281 van het nieuwe dijkcollege de Alblasserwaard voortaan wel een eenheid.
Henderikx heeft er eerder al op gewezen dat naast de eigen afzonderlijke belangen van de heren, sommige edelen een coördinerende rol moeten hebben gehad, vooral degenen die in meer ambachten gerechtigd waren zoals Willem van Brederode, ambachtsheer van Peursum, Neder-Slingeland, Goudriaan, Cortegrave (Laagblokland en Ottoland), Wervelkamp (Hofwegen) en Wijngaarden òf een familiaire band met elkaar hadden zoals leden van de families Van de Lede en Van Arkel. Hierbij gaat het om Jan van Arkel voor alleen de Beemd onder Hoogblokland, Hugo Botter voor de hoge heerlijkheid Noordeloos, Otto van Slingeland voor Over-Slingeland, Arnoud van Liesveld gerechtigd in het Hollandse Gelkenes en Ammers-Graafland.en Herbaren van der Lede (territoir onbekend). Ook Dirk van (de hoge heerlijkheid) Herlaar waaronder Tienhoven, Ameide en Meerkerk en Hendrik van de Lek (Streefkerk en Brandwijk met Gijbeland) hadden verscheidene heerlijkheden. De andere ondertekenaars van de oprichtingsakte waren: Zweder van Abcoude en Zeger van Riede (territoirs onbekend), Gijsbrecht van (de hoge heerlijkheid) Langerak, Willem Moelnairs als ambachtsheer van Molenaargraaf, Herbaren van de Merwede voor Over-Sliedrecht, Theylings Colekijn van Niemandsvriend en Willem Blassekiins, heer van Bleskensgraaf.
De grenzen van het hoogheemraadschap overlapten dus bij aanvang niet de gehele waard. In het zuiden vormde de nog open Giessen de grens en daardoor vielen Hardinxveld en Giessen-Nieuwkerk buiten de dijkring. In het zuidoosten participeerde op de Beemd na het Land van Arkel niet in de overeenkomst. Papendrecht, Alblas en Nieuw-Lekkerland in het westen van de Alblasserwaard deden (aanvankelijk) niet mee aan de samenwerking. De verklaring is dat deze ambachten over twee eigen zijdewinden beschikten. In 1281, vier jaar na de oprichting, onderging het waterstaatkundige verband een aanmerkelijke expansie.
In een nieuw handvest van 10 april 1281 verordonneerde Floris V dat de schouw van de Merwededijk (de Noord heette toen ook nog Merwede) voortaan tot de Schelluinsesloot zou lopen. Daaruit mag worden afgeleid dat zowel Hardinxveld en Giessen-Nieuwkerk als ook Papendrecht, Alblas en Nieuw-Lekkerland aansloten bij het hoogheemraadschap. Het is geen toeval dat het heerlijke gezag van de drie eerstgenoemde nieuwkomers onder Willem van Brederode vielen en Nieuw-Lekkerland onder dat van Hendrik van de Lek. Directe aanleiding voor de aansluiting waren de aanleg van de Giessendam in 1281 en de Alblasserdam kort daarvoor. Vanaf 1281 kent de Alblasserwaard een aaneensluitende dijkring. Alleen Arkel beneden de Zouwe bleef tot 1856 zelfstandig.
Het bestuur van het hoogheemraadschap was een evenredige afspiegeling van de omvang van de deelnemende ambachten waardoor de nadruk op het Hollandse deel van de waard lag. Het bestuur kende dertien zetels; acht uit het grafelijke deel, twee uit Herlaar, één uit het Land van Arkel, één uit Noordeloos en één uit Langerak. De bestuurlijke verantwoordelijkheid werd vooral toebedeeld aan de graaf. De benoeming van alle hoogheemraden behoorde tot zijn competentie evenals de aanstelling van de voorzitter (de latere dijkgraaf) ‘die van ons daer toe gheset sel werden ende die inden selven lande geervet is’ zoals de Middelnederlandse transcriptie luidt. De boeten op nalatig onderhoud vielen behoudens die voor de lokale schout of de dijkgraaf ook toe aan de graaf.
De afspraken die Floris V in de oorkonde van 31 maart 1277 maakte met de edelen, die gegoed waren in de waard, laten zien dat er voor een deel werd teruggegrepen op reeds bestaande gewoonten. Zo bepaalde het handvest dat het nieuwe dijkcollege driemaal per jaar de dijken zou schouwen. De schouwen van de lokale schout (de plaatsvervanger van de ambachtsheer) voor de dijk in het eigen ambacht werden nu als voorschouwen beschouwd. Daarvoor waren de rivierdijken verdeeld in slagen. De onderhoudsplicht in de ambachten aan de rivieren lag bij de hoeve die aansloot op het betreffende dijkvak. Dergelijke procedures waren zeer gangbaar want kwamen ook in andere waarden voor. De overeenkomst uit 1277 leverde een belangrijke wijziging op voor het beheer van de bestaande rivierdijken. Weliswaar bleef de verhoefslaging in takt, indien van een geschouwde dijk een wiel opnieuw doorbrak dan droegen voortaan alle deelnemers bij aan het herstel ervan. Dat gold ook als dijk nog niet goed was gekeurd, maar de herstelkosten werden achteraf verhaald op de onderhoudsplichtige. De boeten op nalatigheid waren pittig: bij de lokale schouw bedroegen zij één schelling (= 12 penningen) bij de controle van het hoogheemraadschap het vijfvoudige. Indien de dijkgraaf en de schouten herstel van een ernstige malversatie zoals een breuk of gat in de betreffende dijk voorfinancierden, hadden zij het recht de kosten dubbel bij de onderhoudsplichtige in rekening te brengen.
Anders dan vaak wordt gedacht ligt de essentie van het charter van 1277 niet direct bij de afspraken over het onderhoud en beheer van de bestaande rivierdijken maar bij de aanleg van een nieuwe zijdewindedijk, de Zouwedijk, tussen de Lek bij Ameide en de Donk bij Hoogblokland. Als gevolg van inklinking ervoeren de ambachten in de waard het toenemende overstromingsgevaar vanuit hoger geleden gebieden en was het belang van de dijk evident groot. Er werden dan ook stevige afspraken gemaakt. Zo zouden bij pogingen om de zijdewinde door te steken (‘yment proefde desen voirsc[reven] diic ziderwen te breken’) graaf en edellieden als één blok (’mit al den horen te zamen mit ons’) optreden. Voorafgaand aan de bezegeling spraken de ondertekenaars de wens uit dat de zijdewindedijk eeuwig mocht blijven bestaan. Het onderhoud van de dijk is niet in de oorkonde zelf vastgelegd maar moet kort daarna tot stand zijn gekomen. In tegenstelling tot alle deelnemende ambachten die onder het principe van de verhoefslaging een dijkslag in de nieuwe dijk kregen toebedeeld, onderhielden de ambachten Nieuw-Lekkerland, Alblas, Papendrecht, Hardinxveld en Giessen-Nieuwkerk, die pas in 1281 toetraden tot het hoogheemraadschap, geen hoefslag in deze dijk.
De oprichting van het hoogheemraadschap van de Alblasserwaard in 1277 en de uitbreiding ervan in 1281 luidden een grote verbetering van de waterbeheersing in, maar konden niet voorkomen dat de waard meer en meer last kreeg van bodemdaling als gevolg van inklinking. Opnieuw bleken ingrijpende maatregelen nodig, ditmaal om de afwatering van met name de dijkambachten te garanderen. Al kort na de aanleg van de Giessendam in 1281 verlegde Langerak de uitwatering van de Lek naar de Giessen. Een paar decennia later volgden Ameide, Tienhoven en Meerkerkerbroek. Ook Arkel en Gorinchem legden hun afwatering aldra om naar de Giessen. Meer westelijk verplaatste eind 13e eeuw Sliedrecht de uitwatering van de Merwede naar de Alblas en niet veel later deden Papendrecht en Giessen-Oudebenedenkerk hetzelfde. De Giessen en de Alblas annex Graafstroom kregen daarmee een functie als boezem. Voor de Alblas en de Graafstroom stelde graaf Willem III in 1320 een toezichthoudend college in.
Ook deze omwenteling in de afwatering bood slechts tijdelijk soelaas. Al in het begin van de 14e eeuw ontstonden grote problemen met de uitwatering via de Alblasserdam. Problemen die allengs groter werden en andermaal noopten tot een krachtdadig ingrijpen. In de jaren zestig van de 14e eeuw onderging de Alblasserwaard een ware infrastructurele metamorfose. Hertog Albrecht, ruwaard van Holland (dat is: voogd van zijn krankzinnige broer graaf Willem V), verleende op 22 augustus 1365 op initiatief van het hoogheemraadschap toestemming aan alle ambachten, die afwaterden op de Giessen, èn de heerlijkheid Liesveld om vandaaruit een watergang van 16 km als boezem en 12 km toegangswateren te graven naar het Elshout bij Kinderdijk in het uiterste westen van de Alblasserwaard. De bestuurlijke organisatie voor de realisatie en het beheer van de nieuwe watergang werd ondergebracht in het waterschap de Overwaard met zeven waterheemraden. Het hoogheemraadschap kreeg een toezichthoudende rol waar het ging om de aardhaling, de nieuwe sluizen en de staat van de kaden. De omkeer van de afwatering in de Alblasserwaard werd volledig toen hertog Albrecht eind 1369) ook toestond om vanuit de Alblas een watergang te graven naar het Elshout, het waterschap van de Nederwaard. Alleen Nieuw-Lekkerland en Streefkerk behielden hun eigen afwatering op de Lek.
Met het graven van de watergangen naar het Elshout waren alle natuurlijke afwateringsopties uitgeput. De bodemdaling stopte echter niet en noopte tot de inzet van andere middelen. Al in de eerste helft van de vijftiende eeuw verschenen de eerste poldermolens in de Alblasserwaard om door bemaling het water uit te slaan. Summum van de inzet van deze mechanische hulpconstructies was natuurlijk de realisatie van het unieke molencomplex bij Kinderdijk in de 18e eeuw. Het nam niet weg dat afwatering en overstromingsgevaar tot heden ten dage alle aandacht behoeven. Enige geruststelling daarbij gaat uit van het feit dat de Alblasserwaard al 750 jaar urgentiebesef toont.
Voor dit artikel is de volgende literatuur gebruikt:
Henderikx, P.A., ‘De oprichting van het hoogheemraadschap van de Alblasserwaard in 1277’, in: Land, water en bewoning. Waterstaats- en nederzettingsgeschiedenis in de Zeeuwse en Hollandse delta in de Middeleeuwen. Keuze uit de verspreide opstellen, B. van Bavel, G. van Herwijnen, K. Verkerk, ed. (Hilversum 2001), 213-224. Eerder gepubliceerd in: Holland, 9 (1977) 212-222.
Henderikx, P.A., ‘Waterbeheersing en afwatering in de Alblasserwaard tot de invöering van de bemaling in de vijftiende eeuw’ in idem 225-238. Eerder gepubliceerd in: Geografisch Tijdschrift, Nieuwe Reeks II (1977) 407-427.
Janse, Antheun, Ridderschap in Holland. Portret van een adellijke elite in de late middeleeuwen (Hilversum 2001).
Koch, A.C.F. en J.G. Kruisheer, e.d., Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299 (OHZ), (’s-Gravenhage, Assen, Maastricht 1970-1997) 4 dln, dl. 3 nr. 1778 en dl. 4 nr. 1953.
Linden, H. van der, De Cope. Bijdrage tot de rechtsgeschiedenis van de openlegging der Hollands-Utrechtse laagvlakte (Alphen aan den Rijn, 1980, 2e druk).
Rees, Harm Jan van, ‘De herkomst van de naam Gijbeland, een onderbouwde hypothese’, De Binnenwaard, 36 (2019) 6-16.
Teixeira de Mattos, L.F., Waterkeeringen, waterschappen en polders van Zuid-Holland (’s-Gravenhage 1906-1952) 10 dl., dl. 4.1. De Waarden (vervolg); afd. 2. Het land tussen Lek en Merwede; onderafd. 1. Overzicht; onderafd. 2. De waterkeeringen en dl. 4.2. De Waarden (vervolg); afd. 2. Het land tussen Lek en Merwede; onderafd. 3. De boezems, waterschappen, polders en gronden in de Alblasserwaard.
Verantwoording van de afbeeldingen:
Afbeelding 1. Rees, Harm Jan van, ‘De herkomst van de naam Gijbeland, een onderbouwde hypothese’, De Binnenwaard, 36 (2019) 8.
Afbeelding 2. Heeringa, Klaas, Corpus sigillorum Neerlandicorum: de Nederlandsche zegels tot 1300 (Den Haag 1937-1940) nr. 533.
Afbeelding 3. Nationaal Archief Den Haag, collectie Hingman.
Afbeelding 4. Boer, D.E.H. de en E.H.P. Cordfunke, Graven van Holland. Middeleeuwse vorsten in woord en beeld (880 -1580) (Zutphen 2010). Het origineel bevindt in de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience te Antwerpen.
Afbeelding 5. Regionaal Archief Gorinchem. Archief hoogheemraadschap Alblasserwaard en Arkel beneden de Zouwe, inventarisnummer 92.